Over

Dit gedeelte gaat over Leest, zoals de oudsten onder ons het nog hebben gekend. Een terugblik op het leven van twee generaties (1890 – 1950), zoals het zich afspeelde in dit kleine dorp tussen Tisselt, Heffen, Mechelen en Hombeek, waar het goed was om te wonen. Zo dichtbij nog en toch reeds zo veraf. Een wereldje van boeren en werkmensen, die voor hun boterham hard moesten werken, met de bange onzekerheid van de dag van morgen. Toch waren ze misschien gelukkiger dan nu.

Hier werden kinderen geboren, thuis, in de slaapkamer, zonder veel complimenten: naast een waskom en een handdoek. De vroedvrouw werd geroepen en de buurvrouw zorgde voor de andere bengels.

De kinderen werden opgevoed tussen de grote mensen en de dieren en de natuur, in de gezonde lucht van de buiten.Ze konden nog ravotten ten halve de straat, er was nog een klare beek waar ze konden in zwemmen. Ze gingen naar de dorpsschool, op hun “blokken”, om te leren tellen en lezen (dit werd hun daar desnoods hardhandig bijgebracht).De praktische dingen van het leven leerden ze thuis, tussen ouders en “oudjes”. Ze maakten er van kleins af kennis met de arbeid en met de huiselijke miseries van ziek worden en doodgaan.

Want ook de dood was iets wat ze kenden, omdat het thuis gebeurde, in het lichtschijnsel van een gewijde kaars. Maar zo leerden ze bijtijds dat de mensen op de wereld zijn om elkaar te helpen. Iedereen kende iedereen, maar niet bij de familienaam : het was “Lowie Van Den Ossenboer”, of “Susse Van Dore” of “Torreke Van Den Ijzeren”. Ze wisten alles over mekaar en de schandaaltjes gingen met plezier van mond tot mond. Maar in nood of tegenslag vond men spontaan hulpvaardige handen.

Er was dorpspolitiek, keihard, die het dorp in twee verdeelde : de Blekken en de Sussen. Men werd dit door geboorte, men zoog het in met de moedermelk. De “vendetta” beperkte zich echter, vooral ten tijde van de verkiezingen, tot harde grove woorden. Maar het was ons dorp : we voelden er ons thuis en gebogen.

Dit is allemaal nu voorbij. De fusie van 1 januari 1977 heeft officieel een eindpunt gezet aan iets wat zich in feite reeds voltrokken had. Het “jaar van het dorp” zorgde voor de bloemen bij deze begrafenis.

Op de 39 gemeenten van het arrondissement Mechelen is Leest één van de twee dorpen gebleven die men nog “agrarisch” noemt , waar dus momenteel nog meer dan 20% van de mensen met de boerenstiel hun brood verdienen. Gedurende de voorbije tweehonderd vijftig jaar waren zowel het algemeen beeld van het landschap als de perceelindeling zo goed als ongewijzigd gebleven. De komende jaren zullen “het aanschijn van onze aarde” vernieuwen. Boeren staan machteloos en vertwijfeld toe te zien hoe landmeters met hun toestellen het zaailand betreden. En in een handomdraai worden de vruchtbare akkers van het Leestse kouterland herschapen tot een hopeloze woonkazerne van steen en beton.

Leest ligt aan de Zenne
Vroeger was de Zenne een rivier van grote betekenis: bevaarbaar, en rijk aan allerhande vissen. Zoals te Hombeek en te Heffen, kwam ook hier een groepje mensen zich nestelen, daar waar de oever nog wat hoger lag : zij waren de eerste Leestenaars. Ze leefden van de jacht op de heide en van de vis uit de Zenne. Dit is heel lang geleden, van in de tijd der Kelten. Zo vond Pieter Verbeeck uit de Rennekouter vijf jaar geleden bij het ploegen nog een geslepen silexbijl in zijn akkerland.

De zenne was een grillige rivier : ze trad regelmatig buiten haar oevers en zette de hele omgeving blank. Vooral de rechteroever was een drassig gedoe. Deze moerassen waren voor ons dorp een natuurlijke afscherming tegen een te opdringerige uitbreiding van de stad in onze richting: Leest bleef een landelijk boerendorp.

Misschien zijn het ook deze moerasgronden die aan ons dorp zijn benaming hebben gegeven: de naam “Leest” zou volgens de taalspecialisten voortkomen uit twee oude woordvormen: “lese” en “uth” en zou betekenen: een plaats waar lis groeit”. De naam kan echter ook voortkomen, beweren zij, uit het oud-Nederlandse woord “lees” dat betekende: een voor, een karspoor, in de zin zoals de boeren alhier thans nog spreken van een “karlies”, of in Vlaanderen van een “los” (een modderige veldweg).

Leest ligt onder Mechelen
Vanaf 1308 behoorde Leest tot de “Vrijheid van Mechelen” en viel meteen onder de Schepenbank van Mechelen. Leest mocht alleen nog twee “gezworenen” behouden (een boer en een handwerker), mensen van hier, maar die hadden nog weinig in de pap te brokkelen.

Het laatste woord werd voortaan gezegd door de “meyer”. Hij was de plaatselijke vertegenwoordiger van Mechelen, een vreemdeling, die door Mechelen benoemd was voor het leven. Hij werd bijgestaan door een “preter” (soort champetter), die de dieven moest pakken en de wetten doen naleven. Samen met de gezworenen zorgden én meier én preter voor de orde. Ze legden belastingen op wanneer het nodig was om schulden te dekken, die vooral voortkwamen uit voortdurende troepenlegeringen.

Want in feite was dit eeuwenlang de praktische weerslag welke de bevolking van Leest ondervond van de geschiedenis: de regelmatige doortocht van legerregimenten: Spanjaarden, Oostenrijkers, Hollanders, Fransen met al de lasten en de onkosten daaruit voortkomend door verwoestingen, plunderpartijen en baldadigheden.

Posse Leest
De Tweede Sinksendag is altijd al de grote kermisdag te Leest geweest. De kerkrekeningen uit 1599 vermelden bijvoorbeeld een uitgave voor “den maelteyd des maendags in de Sinxendagen, wesende onse kermisdag, voor de coster en andere sangers, kerckmeesters en meyer en voor 26 potten bier alsdan gedroncken”.

Later vermoedelijk rond 1850, kwam daar de begankenis van Sint – Cornelius bij. Dan zag de gemeente telkens zwart van ‘t volk: van kilometers uit de omtrek kwamen mensen naar hier met hun kinderen. De bedegangers liepen driemaal biddend rond de kerk, en drumden dan samen de kerk binnen, waar onder het gejank van wenende kinderen en het gesus van de moeders de missen elkaar opvolgden: zes uur, zeven, acht, negen, tien, elf en twaalf uur. Er werd eindeloos aangeschoven om de relikwie te kunnen kussen en de stuivers rolden rond het uitgestalde Corneliubeeld.

Sommigen brachten zelfes een levend kieken mee, of een konijn, of een halve varkenskop. Daar stond een mooie Gotische kevie achteraan in de kerk. Daarin werden de beestjes geofferd. Bij regelmatige tussenpozen werden deze levende offerganven publiek verkocht buiten het kerkportaal, op de “steen van de garde”. Gewoonlijk kocht de eigenaar zijn eigen kip terug en nam ze mee naar huis. Voortaan was dat een “heilige” kip, de “Cornelius” op het neerhof, ze kon er oud worden: men bleef er af.

Sinds 1953 werd deze kermisdag verlengd naar Tweede Paasdag. Het werd op de raadsvergadering beslist met 5 stemmen tegen 4. Nog steeds is de Tweede Paasdag te Leest de hoogdag van het jaar.

Met dank aan:
“Leest geweest”